Het is die See en das Meer. Het leuke is dat die See het meer en das Meer de zee is. ’t Is maar dat je het weet. Vanmorgen waren we beiden vrij vroeg op. Dus Fenna ook. Gisteren heeft Sonja een grote slang gezien.
Het beest stak vlak voor haar over van een struikgewas naar een stapel stenen. Ze schrok van de grootte van het serpent. Hij moet ongeveer een meter lang geweest zijn en had een bruingroene kleur. Het beest had haast en maakt geen praatje met haar, zoals Eva overkwam. Waarschijnlijk omdat er geen appelbomen in de buurt waren.
Ik was weer zo slim een spiertje te verrekken of te scheuren. Die spieren van mij beginnen aardig op uitgedroogde elastiekjes te lijken. Zodra er wat trekkracht op komt te staan breken of scheuren ze. Ik wilde iets pakken dat zich op hoogte bevond. Ik kon er net niet bij met mijn korte beentjes, dus ging ik op mijn korte tenen staan. Na enig rekken kon ik met mijn vingertoppen het boekje te pakken krijgen. En toen hoorde ik ‘snap!’ en ik voelde een steek in mijn knieholte. Tja, ik wist gelijk hoe laat het was, want ik trok de wekker naar beneden van schrik. Dus nu waggel ik als een soort manke Nelis met Fenna over de camping. Maar zoals voor alle geldt ook dit keer : het zal wel weer overgaan.
Het is na bijna 275 km weer een camping aan het water geworden. We staan gelukkig niet vlakbij die grote See, want Fenna is anders niet te houden.