Na het overlijden van mijn beide broers kreeg ik last van een dwangneurose. Alsof ik naar hun graven getrokken werd. Soms leek het alsof ik een hond was, die om z'n overleden baasje treurde. Toen ik daar min of meer overheen was, heb ik de graven niet meer bezocht. Uit angst weer last te krijgen van die dwangneurose.
Omdat ik wist dat het graf van mijn oudere broer weinig aandacht en zorg kreeg, bleef het bij mij kriebelen. Dat had hij toch zeker niet verdiend? Het waren mensen van ver, die dat af en toe wel deden.
Onlangs bleek dat het graf van mijn broer geruimd is. Daar hebben zijn broers en zusters geen enkele melding vooraf van mogen ontvangen. Ik vind dat niet zo netjes. Zijn andere nabestaanden zullen er een reden voor gehad hebben. Zelf had ik een soort souvenir gemaakt voor op zijn graf. Een grote steeksleutel met een tekst erop. Waar die gebleven is, weet ik niet. Ik had hem graag in mijn gereedschapsrek opgehangen als herinnering aan onze gezamenlijke hobby : sleutelen aan auto's. Ik hoor mijn broer over het ruimen zeggen : "Ach, laat maar. Het is goed zo." Daar leg ik me bij neer.
In een andere situatie, waarin de grafrechten afliepen hebben we gezamenlijk rechten bijgekocht. Omdat we het belangrijk vinden. Gelukkig heb ik nog wat foto's van het graf en is hij voor altijd in mijn hart.
Zelf zou ik voor een crematie gaan. Dan laat ik me in mijn nieuwe leven door de wind leiden. š
