In de zesde klas van de lagere school kreeg ik les in de Franse taal. Ik vond er toen helemaal niets aan. Ik had me liever bij de andere groep gevoegd, die Engels kregen. Engels was voor mij toen al belangrijk, omdat ik de teksten van de Engelstalige liedjes die ik thuis hoorde wilde begrijpen.
Mijn desinteresse in de Franse taal veranderde, toen ik van klasgenoten hoorde dat het zo'n lastige taal was. Ik zag het toen als een uitdaging om die taal wat beter te doorgronden. Ergens vond ik het toch wel vrij logisch qua woordgebruik. Op een gegeven moment waren de cijfers voor Frans hoger dan die voor het Engels! Het succes ervan deed me ook meer interesse tonen voor de Duitse taal met alle naamvallen en voorzetsels die een uitzondering vormden. Die stomme woordjes zijn er toen zo ingestampt, dat ze zelfs nu nog steeds een deel van mijn geheugen bezet houden. Ik had wat dat betreft liever wat andere dingen willen onthouden.
Ik was dermate goed in de Franse taal geworden, dat ik van de Franse ambassade afdeling cultuur, een fraai Frans boek kreeg. Ik heb dat boek nog, compleet met inlegvelletje, maar ik heb het nooit gelezen. Het lezen in het algemeen heeft men mij afgeleerd. De lijsten met boeken die ik verplicht moest lazen voor mijn eindexamen waren daar debet aan. Frans blijft voor mij een mooie taal. Ik kocht ook muziek met Franstalige muziek.
Met de Fransen zelf heb ik helemaal niets. Raar volk. Daar kwam ik achter, toen ik enthousiast naar Parijs gegaan was, om aldaar met mijn kennis van de taal te communiceren met echte Fransen. Ze hadden totaal geen respect voor deze vreemd uitziend Hollandse snoeshaan die hun taal sprak. Zou dat misschien door de wijn komen? Ik heb me toen maar op de normale mensen, buitenlandse studenten, gericht. Wij begrepen elkaar in het Frans veel beter.